


Basisontwikkeling bij kleuters
Wij zijn een basisschool voor kinderen van 4 t/m 12 jaar.
We proberen de doorgaande “leerlijn” van groep 1 tot 8 zo goed mogelijk te laten verlopen en we denken er dan ook steeds over na hoe we dingen kunnen veranderen en verbeteren. De doorgaande lijn van de peuters t/m groep 8 krijgt steeds meer vorm in de school doordat we de peuterspeelzaal de Ark binnen onze muren hebben en de onderlinge contacten steeds sterker worden.
Het onderwijs in de kleutergroepen wordt vorm gegeven vanuit het model van de basisontwikkeling. Het draait daarbij om de ontwikkeling vanuit de spelactiviteit naar het leermotief. Dat betekent dat we voor de kinderen een omgeving creëren, waarin kennis en vaardigheden een zinvolle plaats innemen.
In de kleutergroepen werken wij met de kleuters vanuit de “Basis ontwikkeling”. Dit is een visie op onderwijs die bepaald wordt door de vier B’s: Betekenis, Betrokkenheid, Bedoelingen en Bemiddelende rol van de leerkracht.
De betrokkenheid van de leerling staat bovenaan, het is een belangrijke voorwaarde om tot ontwikkeling te komen. Daarnaast speelt ook de betekenis voor het kind een belangrijke rol bij het leerproces. We werken daarom met thema’s die aansluiten bij de belevingswereld en de interesses van de kinderen. Waar mogelijk sluiten we aan bij de thema’s in de midden- en bovenbouw (Topondernemers). Naast de betekenis voor de kinderen heb je als leerkracht ook bedoelingen met je onderwijs. De doelen van een thema formuleren we vanuit de cirkel van de Basisontwikkeling en de OVM lijnen. Dit helpt ons om, lopende het schooljaar, alle (kern)doelen aan bod te laten komen. Jouw bemiddelende rol als leerkracht is nodig om evenwicht te vinden tussen de betrokkenheid en de betekenis voor de kinderen enerzijds en de bedoeling van jou als leerkracht anderzijds.
Basisontwikkeling is de basis voor het leren in de groepen die daarop volgen. We werken vanaf groep 3 met een leerstofjaarklassensysteem. Dat betekent dat we taal en rekenen structureel aanbieden vanuit methodes. De leerlijnen en tussendoelen worden op deze manier door de leerkrachten als lesdoelen gebruikt. De leerkrachten zijn niet alleen gericht op de eigen doelen maar kennen ook de doelen van voorgaande en komende jaren, juist om die doorgaande lijn te borgen.
Naast de standaard methode is het mogelijk om extra oefenmateriaal of extra uitdagend materiaal te gebruiken. In onze school zijn veel kinderen die uitblinken bij bepaalde leerstof. Voor hen gebruiken we o.a. het systeem Plannex, waarin allerlei uitdagende opdrachten staan die verschillende vaardigheden van kinderen vragen. Dit kunnen ze doen i.p.v. de oefenstof. In onze school kennen we ook kinderen die meer moeite hebben met leren. Voor deze kinderen is er ondersteunend materiaal dat hen plezier geeft in het leren. Soms ook is er extra ondersteuning van een leerkracht nodig. De gemiddelde leerling heeft ook de mogelijkheid om naast de lesstof eigen werk te kiezen waardoor hij/zij ook uitgedaagd blijft om zich verder te ontwikkelen.
In de middag gaan we aan de slag met thema’s (muziek, dans, drama zijn geïntegreerd en gym wordt apart op een middag gegeven).
Bijbelonderwijs (groep 1 t/m 8)
’s Ochtends van 9.00 tot half 10 hebben we een vast moment om verhalen uit de Bijbel te vertellen en deze te bespreken met de kinderen.
Het Bijbelonderwijs heeft een belangrijke plaats binnen de school. We vertellen de kinderen in onze bijbelvertellingen over God. We willen graag in het onderwijs de liefde van onze Vader aan de kinderen overbrengen. We gebruiken op dit moment de methode Startpunt van de Internationale Bijbelbond.
Omdat we het belangrijk vinden goed Bijbelonderwijs te geven komt het de komende jaren weer op de agenda van de school te staan. We kijken dan samen of deze methode nog past bij de visie van onze school.
De dag beginnen en eindigen we met gebed. Hiervoor mogen kinderen gebedspunten aandragen. Om God te kunnen loven en prijzen zingen we psalmen, gezangen en andere liederen met de kinderen. De psalmen en liederen halen we vaak uit de ‘liedtips’ die de methode aandraagt. Ook willen we psalmen en gezangen aanleren die in de kerkdiensten gezongen worden.
Ook samen als school willen we God lof zingen en bidden; dat doen we iedere week bij de weekopening en weeksluiting.
De broodmaaltijd wordt altijd met gebed begonnen; ook lezen we dan een gedeelte uit de Bijbel.
Seksuele opvoeding en bijbelonderwijs
Onze seksualiteit is een geweldige gave van God en een wezenlijk onderdeel van het leven, dus ook van het schoolleven. We leven echter in een tijd waarin seksualiteit wordt losgemaakt van liefde en trouw binnen bet huwelijk. Bovendien worden we in onze samenleving ‘overspoeld’ door allerlei informatie op dit gebied. De wereld om ons heen gaat met de seksualiteit vaak niet genormeerd om, waardoor de kinderen er gemakkelijk een onjuist beeld van kunnen krijgen. Onze beleving van en ons spreken over seksualiteit dient gekenmerkt te zijn door de normering aan Gods Woord. Dan helpen we de kinderen ook daarin de grote rijkdom van Gods schepping te zien. Over seksualiteit willen we spreken zoals de Here ons dat in de Bijbel leert.
De taak van de school zien wij als volgt. Seksuele opvoeding is geen apart vak. We zien het als een aanvulling op de taak van de ouders, waarbij verschillende zaken op bepaalde leeftijden als bekend worden verondersteld. We spreken heel gewoon over dit onderwerp als daartoe aanleiding bestaat. De volgende punten zijn hierbij van belang:
Samengevat:
Methode “Wonderlijk gemaakt”
Vanaf augustus 2011 gebruiken we deze nieuwe methode voor seksuele vorming. Dit is een Bijbelgetrouwe methode voor de seksuele vorming. Deze is ontwikkeld door de Driestar en is in november 2010 op de markt gekomen. We misten een methode over dit onderwerp die bij onze identiteit past. De methode van lentekriebels (van de GGD) vonden we niet prettig om mee te werken en de nieuwe methode “wonderlijk gemaakt” sluit wel goed aan bij onze school. Iedereen komt dit thema wel tegen bij bepaalde onderwerpen van leefstijl, topondernemers of het Bijbelonderwijs.
In de lessen wordt op een aansprekende manier de lichamelijke en sociale ontwikkeling in relatie tot seksualiteit besproken.
Een gezond zelfbeeld en weerbaarheid komen aan bod. Afgestemd op hun leeftijd krijgen de kinderen informatie over hun lichaam en seksualiteit als schepping van God. In de bovenbouw is er aandacht voor lichamelijke veranderingen, normen en waarden en ook voor de donkere zijden van seksualiteit.
Hoort u thuis van uw kleuter/kind dat er op school dingen gebeuren die met dit thema te maken hebben, dan willen wij graag dat u een melding maakt. We weten dat het bij de ontwikkeling past , maar zijn graag op de hoogte.
Wilt u meer lezen over dit onderwerp:
Activiteiten in de onderbouw (groep 1 en 2)Om de betrokkenheid van de kinderen te verhogen en hun belevingswereld te vergroten, maken we gebruik van thema’s.Een thema duurt ongeveer zes weken en start met een oriënterende week, de weken die volgen zijn voor verdieping en verbreding, de laatste week is voor afronding en reflectie.
Aan het begin van het thema proberen we een pakkende introductie te bedenken, waardoor de kinderen betrokken raken op het onderwerp, bijv. een handpop met een verhaal of probleem, een brief met een vraag of een voorwerp.
Vaak plannen we in de eerste of tweede week een uitje rond het thema zodat de kinderen vast een goed beeld van het onderwerp hebben en hun ervaringen kunnen gebruiken in hun spel.
Aan de hand hiervan kun je dan een themahoek opzetten en het spel steeds verder uitbreiden. Hieromheen ontstaan dan werkactiviteiten en kringmomenten.
Om de kinderen te leren hun werk te plannen en overzicht te houden op de activiteiten die de kinderen doen, maken we gebruik van taakkaarten. Hierop staan werkjes (soms verplicht), spelletjes uit de kast en hoeken.
Om de ontwikkeling van de kinderen bij te houden hebben we voor ieder kind een portfolio, waar de kinderen per thema werkjes en foto’s en soms andere opdrachten in kunnen plakken.
De taakkaarten vindt u door de hele school in elke groep. Later noemen we dit weektaken. Leerlingen leren zo hun werk te plannen, maken en te corrigeren waar dat mogelijk is.
Spelen/leren
Spelactiviteiten zijn in de eerste plaats belangrijk omdat ze voor kinderen zelf nodig en interessant zijn, omdat het spel en spelen het middel bij uitstek is waardoor kinderen zich ontwikkelen. Bijvoorbeeld door een rollenspel, waarbij kinderen als het ware in de huid van een ander kruipen en het bijbehorende taalgebruik en de bijbehorende handeling gaan gebruiken, om zodoende zicht te krijgen op hoe de werkelijke wereld er uit ziet. Het spel is de leidende activiteit waardoor de overige activiteiten inhoud krijgen.
Overige activiteiten die we ook gebruiken zijn: constructieve, lees- en schrijf, muziek en bewegingsactiviteiten.
Groepssamenstelling
Sinds het schooljaar 2000/2001 zijn de kleutergroepen heterogeen. Dat wil zeggen dat de groepen 0,1 en 2 gemixt zijn. De belangrijkste reden hiervoor is de mogelijkheid om beter te kunnen aansluiten op het niveau van het kind.
De afstemming zoals die in onze visie is omschreven wordt onder andere bevorderd door de heterogene groepen. Deze klassenvorm stimuleert het gedifferentieerd werken, met andere woorden het aansluiten op het individuele niveau van het kind. Heterogeniteit dwingt als het ware het aanbod af te stemmen op de verschillen die zich in de groep voordoen. De manier waarop bijvoorbeeld de werkjes worden aangeboden, is niet eenduidig maar sluit aan bij de verschillende niveaus. Er wordt niveau aangebracht door bepaalde eisen te stellen aan het werk, afhankelijk van het niveau van het kind.
Er is daardoor ook ruimte om op een lager of een hoger niveau te werken dan waar het kind werkelijk hoort.
Het coöperatieve leren komt het beste tot uiting als kinderen van verschillende niveaus en met verschillende interesses en mogelijkheden aan een gezamenlijke activiteit deelnemen.
Kinderen helpen elkaar; hierbij gebruiken ze taal en moeten ze hun gedachten omzetten in woorden en zinnen.
Jongere kinderen vinden het fijn om geholpen te worden en bij oudere kinderen wordt het zelfbeeld in positieve zin gestimuleerd (want ‘zij kunnen het al’). Het kind komt in beide rollen: het ene jaar ben je de jongste, het tweede jaar de oudste.
Kinderen trekken zich aan elkaar op en ze stimuleren elkaar. Ze helpen de instromers, dat scheelt de leerkracht heel wat praktisch werk (waar liggen de materialen, waar is de wc, hoe moet je …). Voor de kinderen is dit een uitbreiding van de uitdagende leeromgeving. Bovendien heb je niet een hele grote groep instromers in een keer in je klas, maar steeds een enkeling, waardoor de individuele aandacht gewaarborgd wordt.
De kleuters leren wat helpen is. Ze zijn in eerste instantie geneigd om het werk van de ander zelf te doen i.p.v. te helpen. Zo is ook de helpende rol een rol met veel leerelementen, uitleggen, begeleiden, ondersteunen, enz.
Dit geldt ook voor de sociale houding van het kind: ze ontwikkelen een houding waarbij verschillen geaccepteerd zijn. Sommigen mogen een makkelijker werkje maken of er zijn spelletjes die je nog niet mag doen.
Regels kunnen op deze manier ook een andere inhoud krijgen, bijvoorbeeld je rent niet door de klas omdat je dan een jonger kind omver loopt.
Ook het gebruik van de taakkaart geeft mogelijkheden om bewust na te denken over wat je gaat doen (variatie, technieken enz.) en wat je het kind laat doen.
In leergesprekjes kunnen verschillende vragen ingebouwd worden: makkelijke voor gr.1 en moeilijkere voor gr.2.
De spelletjes zijn ingedeeld op niveau en ook dit is een duidelijke manier om gedifferentieerd te werken. De kinderen wordt geleerd op eigen niveau het materiaal te kiezen en uitgedaagd om een stapje verder te gaan.
Nederlandse Taal / Lezen
Taalactiviteiten bij kleuters:
In hun dagelijkse leven komen de meeste kinderen dagelijks in contact met lees- en schrijfactiviteiten. Lezen en schrijven heb je nodig om met elkaar te communiceren. De leeromgeving is belangrijk om deze activiteiten uit te lokken. Het kind moet een belangstelling ontwikkelen voor geschreven taal en ontdekken dat je daarmee iets duidelijk kunt maken. Vanuit het spel gaan kinderen vaak spelenderwijs om met gesproken, geschreven en gedrukte taal.
De ontwikkeling van deze lees/schrijfactiviteiten verloopt langs de volgende lijn: van spelactiviteiten naar beginnende geletterdheid, vervolgens naar functionele geletterdheid waarbij we onderscheiden in mondelinge taal, tekstvaardigheid, denken over taal en tenslotte naar schrijfvaardigheid
We werken in groep 3 met één methode voor Taal en Lezen, namelijk “Veilig Leren Lezen” (de nieuwste versie). ‘Veilig Leren Lezen’ is een methode die de leerlingen in hun eigen tempo en aangepast op de verschillende behoeftes van leerlingen, begeleidt in het leesproces. Er is erg veel mogelijkheid tot differentiatie. Het is een afwisselende, uitdagende methode, door zijn vele verschillende werkvormen.
Daarnaast hebben we vanaf groep 4 de methode “Taal actief” die deze schoolplanperiode wordt vervangen door een nieuwe methode. Er is genoeg afwisseling tussen stelopdrachten, spellingsopdrachten, mondelinge opdrachten, auditieve opdrachten en computeropdrachten is. Per jaar is er een duidelijke opbouw. Hierdoor leren kinderen door de jaren heen verschillende vaardigheden toe te passen en uit te diepen. Bovendien lopen de methodes voor Taal en Spelling synchroon, zo leer je de nieuwe woorden die in het taalhoofdstuk aan bod komen, en leer je tijdens de lessen spelling de woorden juist te spellen.
Bij begrijpend lezen komt veel kijken. Lezen zit verweven in alle vakken, zo ook begrijpend lezen. Dit kan geïntegreerd worden aangeboden. Om teksten te begrijpen en na te kunnen denken over teksten is het belangrijk dat kinderen een grote woordenschat hebben, technisch kunnen lezen en gemotiveerd zijn om te lezen.
Om teksten te lezen hebben kinderen bepaalde vaardigheden nodig. Wij noemen dat strategieën. Die vaardigheden leren ze het makkelijkst aan in een uitdagende leesomgeving. Door ervoor te zorgen dat kinderen geprikkeld worden om te lezen kun je ervoor zorgen dat ze leeskilometers maken. Dit is heel belangrijk voor het leesproces. Er moet voor de kinderen dus voldoende motivatie zijn om te lezen. Door veel te lezen breiden kinderen hun woordenschat uit. De leerkracht speelt een belangrijke rol als model. (Bijvoorbeeld: de leerkracht doet voor hoe je de betekenis van een woord achterhaalt). Het voor- koor- door principe helpt het kind om goed op tempo te lezen en op voordracht te letten. Ze automatiseren het lezen op die manier.
Ouders spelen ook een belangrijke rol bij de leesontwikkeling van hun kind. Hieronder staan een aantal zaken opgesomd waarbij je extra aandacht aan taal of lezen kunt geven.
Leesmotivatie, woordenschat en de vaardigheid technisch lezen zijn de voorwaarden om goed met teksten bezig te kunnen zijn. De hierboven genoemde punten kunnen helpen om de woordenschat te vergroten en er voor te zorgen dat een kind goed kan lezen en het leuk vindt.
Goede begrijpende lezers zijn lezers die nadenken over een tekst, informatie kunnen verwerken en teksten kunnen toepassen. Daarbij is het van belang dat we aansluiten bij de belevingswereld zodat teksten ook interessant worden. Begrijpend lezen is goed te integreren bij de verschillende vakgebieden (topondernemers, Bijbelonderwijs). Deze schoolplanperiode is taal en lezen een speerpunt en zullen er mogelijk methodes en werkwijze wijzigen.
In groep 4 t/m 8 werken we met de leesmethode “De leesparade” (technisch lezen en leesmotivatie). Voor begrijpend lezen werken we op dit moment met de methode “goed gelezen” in groep 4 t/m 8. In groep 7/8 gebruiken we de kidsweek om onze doelen te bereiken. In veel groepen worden betekenisvolle teksten gebruikt om de leerdoelen te gebruiken i.p.v. de methode teksten.
Eén keer in de twee weken gaan de kinderen naar de schoolbibliotheek.
Er is veel aandacht voor leesmotivatie. Zo kennen we boekbesprekingen en bijvoorbeeld het mandjes lezen (verschillende soorten leesmateriaal waaruit gekozen mag worden).
Voor toetsing gebruiken we, behalve de methodegebonden toetsen, de toetsen van het CITO.
De Rode Draad
Dit is een project dat wordt georganiseerd vanuit de Bibliotheek in Best. Een groot aantal basisscholen doet mee aan dit project dat bedoeld is als leesbevorderingsaanbod voor de basisscholen. Scholen die met de Rode Draad starten verbinden zich voor drie jaar aan dit project. Het betekent voor de groepen van de school dat ze eens per jaar met een voorbereid thema aan de slag kunnen.
Taal/lezen wordt deze schoolgidsperiode voor de groepen 4 t/m 8 vervangen en er komt een nieuw visiedocument van waaruit we werken (zie doelen schoolplan 2011-2015).
Schrijven (groep 1 t/m 8)
We werken nu met de schrijfmethode: Pennenstreken.
Deze methode sluit aan bij “Veilig leren lezen” en heeft een doorgaande lijn in het leren schrijven van groep 1 t/m 8. Groep 1 en 2 werken aan de hand van thema’s.
In groep 3 starten we met de letter- of woordversie en de cijfers. In groep 3 wordt met het driekante potlood geschreven. In groep 4 komt de aanvulling met Hoofdletters. Groep 5 en 6 richten zich op het herhalen, automatiseren en het verhogen van het schrijftempo, terwijl in groep 7 en 8 nog een extraatje volgt: de introductie van de Blokletters. We passen de werkschriften (lijnen) voor de andere vakken aan op de leerlijn van schrijven. Om het creatief schrijven te bevorderen gebruiken we opdrachten die buiten de methode omgaan (met name in groep 6 omdat Pennenstreken daar geen aandacht aan geeft). Schrijven krijgt binnen de zorgstructuur aandacht.
Engelse Taal (groep 7 en 8)
De kinderen krijgen Engels om een basis te leggen voor het voortgezet onderwijs.
Het is niet de bedoeling, dat ze aan het eind van groep 8 vloeiend Engels spreken, maar dat ze ontdekken, dat deze taal een middel is om contact te krijgen met de rest van de wereld.
Het vak Engels op de basisschool is erop gericht dat de leerlingen in de hoogste groepen van de basisschool vaardigheden ontwikkelen waarmee zij deze taal als communicatiemiddel kunnen gebruiken in alledaagse situaties en op eenvoudig niveau. We maken gebruik van de methode Real English.
Rekenen en Wiskunde
Rekenactiviteiten zijn altijd verbonden aan inhouden of thema’s, die voor kleuters interessant en betekenisvol zijn. Als iets betekenis heeft voor kinderen, dan ontstaat betrokkenheid. En kinderen die betrokken zijn …. leren/ontwikkelen zich!
In de kleutergroepen zijn wij op verschillende momenten van de dag met rekenen bezig. O.a. in de grote kring (= met de hele groep) en in de kleine kring (= een aantal kinderen waar we een speciaal doel mee hebben) worden rekenactiviteiten gedaan. Daarnaast komt het rekenen (= meten en wegen / tellen en rekenen / ruimte en vormen / tijd), terug in het spel van de kleuters, in veel dagelijkse activiteiten en ook in de werkjes die ze maken.
Tijdens spelen en werken zijn ze (vaak onbewust) ook met rekenen bezig. Bijvoorbeeld het knippen van een strookje voor een werkje: hoe lang moet het zijn? (= meten en dus rekenen)
Iedere kleuter ontwikkelt zich in zijn eigen tempo en op verschillende manieren. Elk kind heeft een eigen leerstijl, een eigen manier van leren. Zo ontdekt het ene kind de begrippen breed en smal tijdens het bouwen in de bouwhoek, een ander tijdens het knutselen met doosjes.
De leerkracht observeert de leerling tijdens activiteiten en legt het rekenniveau vast in het O.V.M. (Ontwikkelings Volg Model ). Naar aanleiding hiervan kan een bepaald rekenonderdeel naar voren komen om verder uit te diepen of aan te bieden (in bv. kleine of grote kring).
Als het past binnen het thema van dat moment, maken de leerkrachten bij rekenactiviteiten gebruik van de methode “Pluspunt” voor kleuters.
De rekenvaardigheden die een kleuter moet beheersen kunnen per kleuter verschillend zijn bij het doorgaan naar groep 3. Minimaal moet er getalbegrip, cijferkennis en cijferherkenning van 1 t/m 10 zijn.
In ons rekenonderwijs (groep 3 t/m 8) is er aandacht voor het verwerven van inzicht en voor het oefenen van vaardigheden. Onze methode “Pluspunt” heeft veel aandacht voor oefenen, herhalen en automatiseren. Cijferen krijgt veel aandacht en wordt geleidelijk opgebouwd. Daarnaast werken we met modellen als de getallenlijn en de verhoudingstabel. Bij contexten is het taalgebruik eenvoudig, zodat de taal zo min mogelijk een obstakel is voor taalzwakke kinderen. De lesstof wordt in duidelijke, kleine stappen aangeboden. Ook wordt de lesstof tijdens het schooljaar regelmatig herhaald. Zo geeft Pluspunt kinderen een solide rekenbasis voor hun verdere ontwikkeling.
Wereldoriëntatie, techniek- en cultuureducatie
Op school werken we iedere 6 weken op de middagen met een ander thema. We laten kinderen meedenken en brainstormen over het thema, wat ieder kind op zijn eigen manier kan uitwerken. De samenwerking met klasgenootjes wordt bevorderd en de creativiteit van het kind gestimuleerd. Zo leren kinderen ook de verschillen tussen elkaar te zien en daar op een goede manier mee om te gaan. Vanaf groep 4 en 5 dagen we de leerlingen uit om informatie te zoeken bij het thema, op internet, in boeken of in kranten. Deze informatie mogen ze verwerken in een zelfbedacht project. Zo leren ze goed omgaan met de huidige mediabronnen en leren ze teksten te analyseren en deze te verwerken tot een goed resultaat. De inzet van ict/techniek en huidige mediabronnen is voor onze school als een prioriteit vastgesteld. We vinden het belangrijk dat wij aansluiten bij de kracht van onze regio Brabant. Ondernemend leren is een competentie die aandacht krijgt tijdens Topondernemers. (wij werken op dit moment samen in een regionaal verband :OPEDUCA om een open educatief leercentrum te zijn).
Geïntegreerd en thematisch:
Wij willen de wereldoriëntatievakken (aardrijkskunde, geschiedenis, natuur en techniek) en ook vakken als beeldende vorming en tekenen geïntegreerd en thematisch aanbieden.
De basis is de methode Topondernemers en Geschiedenis anders. Wij maken zo gebruik van:
Meervoudige intelligenties
De verschillende intelligenties zijn:
Dit willen we doen door te variëren in het aanbod van verwerkingsvormen.
Zelfontdekkend leren:
We willen de kinderen bij wereldoriëntatie d.m.v. opdrachtkaarten bezig laten zijn met zelfontdekkend leren. We willen de kinderen die vaardigheden meegeven die hen in staat stellen zich zelfstandig aan te sturen. We willen dit zelfontdekkend leren stimuleren door de kinderen een rijke, goed georganiseerde leeromgeving aan te bieden.
Samenwerkend leren/ coöperatief leren:
Samenwerken is een belangrijke vaardigheid om te kunnen functioneren in de samenleving. We willen dit samenwerken stimuleren door de kinderen samenwerkingsvaardigheden aan te leren, zodat ze met en van elkaar kunnen leren. Zo willen we de kinderen leren omgaan met verschillen en willen we de communicatie tussen leerlingen stimuleren.
Techniek
Wij integreren techniek in de thema’s van wereldoriëntatie en de thema’s die ze in de kleutergroepen gebruiken. Techniek sluit aan bij de nieuwsgierigheid, creativiteit en het oplossend vermogen van kinderen. Wij gaan met techniek op zoek naar de juiste thema’s en onderwerpen die dicht bij de leefwereld van de kinderen staan. In het schooljaar 2011/2012 starten we opnieuw met workshops. Hierin bieden we gedurende het hele jaar vaste technieken aan over verschillende dagen. Kinderen kunnen hun voorkeur aangeven, maar kunnen veel opdrachten ook echt maken. Als laatste werkwijze om de doelen te bereiken werken we met de techniekcoach. In de groepen wordt de theorie aangeboden en op een ander moment in het jaar worden de praktijklessen gegeven. Kinderen komen dan heel praktisch in aanraking met techniek.
Zintuiglijke en lichamelijke ontwikkeling
In de groepen 1en 2 zijn spel en bewegingsvormen elke dag in het programma opgenomen. Er wordt gespeeld op het plein en in de speelzaal op school.
Vanaf groep 3 krijgen de kinderen 1 keer per week gymles in de sporthal.
In alle groepen wordt aandacht besteed aan samenspelactiviteiten, technische oefenvormen en sportief en verantwoordelijk gedrag. Leren samenspelen en leren dat sportiviteit belangrijker is dan winnen, zijn wezenlijke aspecten van de gymles. Bij bewegingsonderwijs maken de leerkrachten gebruik van bronnenboeken.
Cultuureducatie (o.a. Kunstzinnige Oriëntatie)
Cultuureducatie bestaat uit de volgende disciplines: beeldende vorming (tekenen, handvaardigheid), muziek, dans, drama, literatuur en erfgoededucatie.
Cultuureducatie is geen los onderdeel of iets dat erbij moet, maar een onderdeel van het onderwijsaanbod. Daarom willen we met de cultuureducatie aansluiten bij de lessen wereldoriëntatie en daarbinnen mogelijkheden zoeken om de cultuureducatie uit te breiden.
Op school hebben we een cultuurcoördinator, die de culturele ontwikkelingen aanstuurt en ondersteunt. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van culturele activiteiten ligt bij de leerkrachten zelf.
Dit betekent dus dat de leerkrachten zelf culturele activiteiten bedenken, organiseren en uitvoeren.
De cultuurcoördinator draagt ideeën aan en heeft contacten met de marktplaats en andere cultuurcoördinatoren (icc-ers).
Samen met andere scholen in Best doet onze school mee aan een cultureel programma, onder begeleiding van Kunstbalie, het vroegere BISK (Brabants Instituut voor School en Kunst). Deze stichting ondersteunt het onderwijs om al vroeg kinderen in aanraking te laten komen met kunst. Om dit een structurele en geïntegreerde plek te geven hebben we voor deze activiteiten ook subsidie gekregen.
In Best kunnen we sinds 1 juni 2007 gebruik maken van een “marktplaats voor cultuureducatie Best in oprichting” De marktplaats is er gekomen op initiatief van de gemeente, de culturele instellingen en de scholen in Best. De doelstelling van de marktplaats is het bij elkaar brengen van de vraag van het primair en voortgezet onderwijs naar ondersteuning op het gebied van cultuureducatie en het daarop vraaggericht aanbod van lokale en bovenlokale organisaties voor kunst en cultuur. De marktplaats is zowel een fysieke als een digitale ontmoetingsplaats voor onderwijs en cultuur.
Sociaal-emotionele ontwikkeling
We werken met de methode “Leefstijl”. Dit is een methode voor sociaal-emotionele ontwikkeling. Door allerlei oefeningen, gesprekken, werkbladen enz. worden kinderen gestimuleerd om opbouwend gedrag te ontwikkelen (zelfvertrouwen, kritisch denken), om positief op de ander betrokken te zijn en gezond te leven. We leren hen naar anderen te kijken, sociale vaardigheden te oefenen en gedrag te benoemen. We werken zo met elkaar aan een goede sfeer in de klas en op school en aan relaties met mensen om ons heen.
De methode is opgebouwd uit 6 thema’s (de grote lijnen zijn voor elke groep hetzelfde)
Respect:
Is een positieve houding naar een ander. Je kunt omgaan met verschillen. Je ervaart dit door fatsoenlijk taalgebruik, een goede luisterhouding en vriendelijkheid. Daarnaast accepteer je de regels, omdat wij het op school zo afgesproken hebben
Hoe leren wij de leerling het verwachte gewenste gedrag?
Wij leggen uit waarom het belangrijk is dat iedereen zich aan de regels houdt. Wij geven voorbeelden van gewenst en ongewenst gedrag. We vinden het heel belangrijk dat de leerlingen de gelegenheid krijgen om de regels te oefenen en zich eigen te maken.
Belangrijk voor de leerlingen is: waardering en beloning
Waardering en beloning vormen een positieve bekrachtiging. We baseren dit op de visie van het Coole kikkerplan, waar we schoolbreed mee werken. Hierdoor wordt de Coole kikker een beloning op schoolniveau. Het is dus herkenbaar in de school. Voor leerkrachten en kinderen betekent dit dat we de gedragsregels binnen de school consequent toepassen. We waarderen en belonen waar mogelijk.
Met het Coole Kikkerplan heb je binnen een paar weken een klas vol coole kikkers. De kinderen leren van elkaar, corrigeren elkaar en zijn er voor elkaar. Wanneer de leerkracht duidelijk stelling neemt tegen pesten en voor sociaal gedrag, schept hij / zij daarmee ruimte voor een positieve en veilige sfeer in de klas. Meer informatie vindt u op www.decoolekikker.nl.
Plein
Onze school is een streekschool. De consequentie daarvan is dat alle leerlingen bij ons op school gebruik maken van de tussenschoolse opvang. Dat betekent dat we in de grote pauze alle kinderen van de school een half uur laten buiten spelen. Voor de groepen 3 en 4 zijn er twee vaste pleinwachten aangesteld. Beiden zijn 2 pauzes per week op het plein. Om te voorkomen dat dit onveilige momenten zijn voor onze kinderen, willen we ons inzetten om het spel beter te kunnen begeleiden.
De groepen 5 t/m 8 mogen om de beurt een dag meespelen op het kleine plein.
Zelfstandig werken
Door de hele school zijn we in de klas bezig met zelfstandig werken. Dit doen we o.a. met taakkaarten en weektaken.
Vanaf de kleuters leren we de vaardigheden van het zelfstandig werken en oplossingen bedenken al aan. In de volgende groepen worden deze vaardigheden verder uitgebouwd. Aan het einde van hun schoolloopbaan kunnen leerlingen hun taken plannen over een hele week. We willen de kinderen leren dat ze verantwoordelijk zijn voor hun eigen werk. We werken met het stoplichtmodel: rood betekent stil werken, oranje betekent overleg met medeleerlingen mag, groen betekent dat je de leerkracht om hulp mag vragen.
Verkeer (BVL)
In de klassen werken we regelmatig aan verkeerseducatie. We gebruiken de methode ‘Wijzer door het verkeer’. Deze methode behandelt gestructureerd de verschillende aspecten van het verkeer.
In groep 7 doen de kinderen mee aan het theoretisch en praktisch verkeersexamen van 3VO. De meeste kinderen slagen in één keer voor de beide examens. Bij het praktisch verkeersexamen hoort een fietskeuring door de politie, deze vindt plaats op de dag voor het examen.
Onze school heeft sinds 2008 het Brabants VerkeersveiligheidsLabel (BVL). In een beleidsstuk hebben we de schoolorganisatie en het beleid beschreven. De uitwerking bestaat uit verkeerslessen in de klas, praktische verkeerseducatieprojecten zoals het praktisch verkeersexamen, een verkeersveilige schoolomgeving en verkeersveilige school-thuisroutes, en betrokkenheid van ouders bij verkeerseducatie (zie ook www.bvlbrabant.nl). Voor onze school ligt het speerpunt op praktische verkeerseducatie projecten en op de verkeersveilige schoolomgeving.
Computeronderwijs
In alle klassen staan meerdere computers. We gebruiken de computer tijdens onze lessen om kinderen op verschillende manieren met de lesstof bezig te laten zijn. Vanaf de kleuterklassen wordt hiermee structureel gewerkt.
In de bovenbouw werken de kinderen ook aan verschillende computervaardigheden. In de meest gangbare programma’s voor tekstverwerken, internet, enz. worden ze wegwijs gemaakt, zodat ze bij allerlei andere vakken steeds beter met de computer uit de voeten kunnen.
Voor alle groepen is een digibord beschikbaar, voor groep 3-8 in het lokaal en voor de kleuters is er een verrijdbaar bord.
Internetprotocol
Als school hebben we niet gekozen voor een filter. We hopen met de afspraken die we met de kinderen maken, een verantwoord gebruik van computer en internet te waarborgen.
Op school hebben we een internetaansluiting. Dat betekent dat ook in de lokalen op het internet gesurft kan worden. Met de kinderen worden daarover afspraken gemaakt en in groep 7 en 8 ondertekenen de kinderen een internetprotocol. In de hele school geldt, dat kinderen alleen op het internet mogen als de juf in de klas is en er toestemming voor heeft gegeven. Er worden geen persoonlijke gegevens uitgewisseld zonder toestemming enz.
In de school is chatten en MSN verboden.
In principe wordt de computer in de school alleen gebruikt voor onderwijsondersteuning en niet voor spelletjes en ander vermaak.
Handelingsgericht werken
Passend onderwijs - Handelingsgericht werken.
Passend onderwijs is onderwijs geven dat past bij de leerlingen. Passend onderwijs is het streven om goed onderwijs te geven aan de leerlingen van de hele groep.
Iedere leerling is uniek en heeft zijn/haar eigen talenten van God gekregen. Leerlingen verschillen van elkaar maar er zijn natuurlijk ook veel overeenkomsten. Alle leerlingen hebben onderwijs nodig, de ene leerling meer en anders dan de ander. De leerkrachten reageren adequaat op de verschillen tussen de leerlingen, leerlingen die extra zorg nodig hebben en op leerlingen die minder zorg nodig hebben.
Afstemmen van het onderwijs op de groep is gericht op de hele groep, de groepsaanpak staat centraal. Belangrijke vaardigheden van de leerkracht zijn: goed observeren en waarnemen (wat zie ik, wat valt op?), signaleren (hier moet iets mee gedaan worden) en begrijpen (wat heeft deze groep nodig?). Nadenken over het onderwijsaanbod moet zijn voor deze specifieke groep. Welke doelen stel ik voor deze groep? Waar is deze groep goed in? Waar hebben ze nog extra instructie en oefening bij nodig? Wat staat er in de methodes? Welke doelen staan er voor dit jaar beschreven? Hebben de leerlingen dit echt nodig of kunnen ze dit al? Wat komt er nog in de loop van het seizoen aan bod? Wat kan ik als leerkracht bieden? Allemaal vragen die de leerkracht meeneemt bij de planning van de lessen en de keuze van het onderwijsaanbod.
Leerlingen leren van de instructie van de leerkracht maar ook leren ze veel van het samen nadenken en praten over de leerstof, de leerlingen worden daarom regelmatig in groepen aangesproken. Een klein groepje bij de juf aan de instructietafel of samen met een andere leerling een opgave maken zijn vormen die veel gezien worden. We willen elkaar meenemen in het leerproces daarbij komt een individueel programma minder vaak voor.
Het onderwijsaanbod is gericht op mogelijkheden, verwachtingen en op de kwaliteiten van de groep en minder gericht op zorg. De leerkracht is daarbij een belangrijke spil.
Het onderwijsaanbod en daarbij het doelgericht handelen van de leerkracht wordt handelingsgericht onderwijs genoemd. Dit onderwijsaanbod voor de groep wordt beschreven in een groepsplan. In het seizoen 2009-2010 hebben we een start gemaakt met het beschrijven van het onderwijs in een groepsplan voor vakgebied rekenen. In de volgende seizoenen gaan we ons ook verdiepen in de andere vakgebieden. Het blijft een onderwerp waar we veel over praten, waar we verder in willen groeien en wat nog verder uit te diepen is. In de toekomst zullen de leerlingen steeds meer betrokken worden bij de doelen die in het groepsplan beschreven worden.